Het is zondag en ik ben alleen
in de biljartruimte. Ik zit hier al de hele dag en ik houd me bezig met
het herschrijven van de gedichten die ik vorig jaar gemaakt heb. Ik
denk niet dat er iets is, wat mijn gevoel van alleen zijn kan wegnemen.
het is in mijn botten gekropen. Ik zou even naar de afdeling
kunnen gaan, maar daar is het nu zoals ik me voorstel dat het in de
aula van een crematorium is. Er hangen een paar half dode, verveelde
patienten in de fauteuils en boeiende gesprekken hoef je er niet te
verwachten. De meer opgewekte patienten zijn allemaal met
weekend-verlof, de overgeblevenen voelen zich er niet goed genoeg voor.
Ik heb nog steeds weinig zin om
in de weekenden weg te gaan. Mijn oude Amsterdamse vrienden, die mijn
ziekte begrijpen, heb ik door de afstand uit het oog verloren,
bovendien voel ik me verloren in de maatschappij. Hier voel ik me ook verloren,
maar hoef ik in ieder geval niet net te doen alsof ik "erbij hoor". Bij mijn levendige broers en
mijn zusje voel ik me zo buiten het normale leven staan, ik hoor er
niet meer bij, hoe lief ze ook voor mij zijn, het doet pijn dat ik
"abnormaal" geworden ben. Mischien zal ik er over een
tijdje, als mijn depressie helemaal verdwenen is, veranderen, en weer
plezier krijgen in mijn kleine neefjes en nichtjes en zal ik weer
urenlang met ze willen spelen. Voorlopig blijf ik echter lijden
aan een depressie onder de oppervlakte. zolang ik bezig ben en vooral
als ik schrijf, lukt het me om overeind te blijven en kan ik dit
bestaan in een soort bejaardenoord verdragen, maar de depressie ligt op
de loer en als ik mijn concentratie ook maar even laat verslappen, dan
zal hij me bij de keel grijpen.
DE
THEORIE IN PRAKTIJK
Enige tijd heb ik gedacht dat je
iedereen in z'n waarde moest laten en accepteren, omdat niemand er iets
aan kon doen dat hij is, zoals hij is. Hoewel ik nog steeds denk dat
dat waar is, ben ik fors uitgegleden op deze theorie.
De zwakbegaafde man die nog
steeds deel uitmaakt van ons groepje van zeven en die ik een
tijdje geleden nog vertederd "mijn broertje" noemde en
waarvan ik hield omdat hij zich zo eigenzinnig vermaakte met het in
elkaar knutselen van de vreemdstsoortige kunstvoorwerpen, die de
ene keer de Eifeltoren moest voorstellen, terwijl je eigenlijk dacht
dat het resultaat meer weg had van een poging tot zeilboterij en die de
andere keer een onderzeeër bleek te verbeelden, terwijl de
anderen en ik meer dachten aan een kip. Die man is langzamerhand steeds
meer gaan praten en al pratende is hij mij het bloed onder de nagels
vandaan gaan praten.
Hij heeft zes thema's: pijp
roken, wasgoed strijken, de krasheid van zijn moeder, reisboeken, zijn
zelfredzaamheid en het bewerken van hout.
Het ergst wordt hij als hij een
pijpje opsteekt en daar eens rustig voor gaat zitten. Dan komt het ene
verhaal gevolgd door het andere. En als hij al zijn thema's gehad
heeft, begint hij opnieuw. Als een kapotte grammofoonplaat met een tik.
En dan steekt hij weer een pijpje op en begint opnieuw: over wasgoed
strijken, over zijn reisboeken, over de krasheid van zijn moeder, over
zijn zelfredzaamheid, of het bewerken van hout. De kapotte grammofoon
tikt de hele dag door en we kunnen hem niet afzetten.
Soms zeggen we "Dat weten we
al". Dan is hij even stil en daarna begint hij weer over zijn pijpje,
zijn wasgoed, zijn moeder, hout of reisboeken. Het ene verhaal volgt
bijna volautomatisch op het andere. En wij, de anderen, moeten het
allemaal aanhoren. Onze ruimte is te klein om je oren af te wenden. Al dagen en dagen lang zijn we
verplicht om te luisteren en te reageren. Gelukkig ben ik niet de enige
die er stapelgek van wordt, een andere patiënte kan er ook niet
meer tegen. We willen met de verpleging gaan praten voordat we door het
dolle heen raken.
Uit deze situatie blijkt dat de
beperkingen van zwakbegaafde mensen op den duur niets voor me zijn, ik
weet me er geen raad mee. Als ik in de toekomst met dergelijke mensen
zal moeten samenleven, dan vrees ik dat ik me behoorlijk zal moeten
afzonderen of dat ik als een constant geïrriteerd mens door het
leven zal moeten gaan. Het is iets anders om tijdelijk
met dergelijke mensen te maken te hebben, dan om er constant mee om te
moeten gaan. Als je dan ook nog weet dat vooral de zwakbegaafden
lieverds zijn, die geen vlieg kwaad doen omdat dat gewoonweg niet in
hun te korte hersenen opkomt en dat ze daarom dus alle vriendschap en
mededogen verdienen, dan is het bitter dat ik stapelgek van ze word.
TUTTIE
FRUTTIE
Gisteravond ben ik tijdens het
wekelijks gesprek met mijn persoonlijk begeleider Herwin per ongeluk
stevig met mijn neus op de feiten gedrukt: Ik heb geen toekomst. Ik kan
niet kiezen. Mijn depressies en mijn manies dwingen me tot het
accepteren van situaties die ik helemaal niet wil als ik normaal ben. Ik heb er een tijdje aan gedacht
om in Assen te gaan wonen, woningruil te gaan doen, voor de laatste
keer proberen om zelfstandig te blijven wonen. Dat leek me mogelijk,
omdat ik dan gebruik zou kunnen maken van door "licht en Kracht"
ontwikkelde thuiszorg. Dan komt er regelmatig een speciaal daarvoor
opgeleide verpleegkundige kijken hoe het met je gaat. Het leek met het
proberen waard. Maar Herwin kent Assen erg goed
en volgens hem is het een dorp en zou ik er dood gaan van eenzaamheid
en gebrek aan prikkels, die het levende in mij op de been houden. Hij
zou wel eens gelijk kunnen hebben, maar waar moet ik dan in gods naam
naartoe. Als ik aan een "beschermde woonvorm" denk, slaat de schrik mij
om het hart. Ik word hier al in ruime mate geconfronteerd met het
gebrekkige in de mens. Er aan te denken voorgoed te
moeten kiezen voor het gezelschap van zwakzinnigen en zwakbegaafden
doet me griezelen. Dan is de kans wel erg groot dat ik afglij van mijn
eigen intelectuele en kunstzinnige interesses. Dan zal ik me
waarschijnlijk zo gaan identificeren met het gebrekkige dat ik voorgoed
vergeet dat het ooit normaal voor mij is geweest om "levensvragen" te
bespreken met mensen van mijn eigen kaliber, dat nog steeds aanwezig
is, als ik me weer evenwichtig voel. En dan die gruwelijke manische
periodes, hoe zullen die mijn leven nog verder gaan verzieken. In het
blaadje van de Manisch-Depressieve vereniging heb ik gelezen dat de
Drentse manisch-depressievelingen zich beschouwd weten als aanstellers
en ook dat ze vaak eindigen als de dorpsgekken. Hoe leg je mensen uit dat een
gezond verstand tijdelijk volslagen krankzinnig kan zijn. Hoe leg je
mensen uit dat als je depressief bent, dat je dan soms niets kunt en
ook niets weet. Hoe leg je mensen uit dat je, als je een paar maanden
later weer normaal bent, je ook graag als zodanig behandeld wilt
worden. Hoe leg je mensen uit dat je boos kunt worden, omdat men je
behandelt alsof je gek bent, terwijl je hersenen goed functioneren. Je
hebt geen rechten meer als je hoofd het bij tijd en wijle laat afweten.
Je bent overgeleverd aan de genade van je omgeving. Mijn Familieleden hebben mijn
ziekte geaccepteerd en ze weten dat ik, als ik manisch ben, niet
serieus genomen moet worden, maar de ellende die ze dan over zich heen
krijgen, is bijna ondraaglijk en het kost ze de grootst mogelijke
moeite om me in toom te houden en opgenomen te krijgen. Ik vrees dat er
een tijd komt dat ze het niet meer zullen kunnen opbrengen om me te
verzorgen als ik als een ongeleide projectiel door hun huizen zweef en
zwoef. De kracht van mijn manies zal te zwaar voor ze worden en op een
dag zullen ze waarschijnlijk moeten besluiten om hun handen van me af
te trekken en zullen ze me volledig over moeten laten aan de
professionelen. Dan ben ik helemaal alleen in het land der empathie en
zal ik het alleen zijn nog beter voelen als ik nu al doe. Binnenkort wil ik me aansluiten
bij de Drentse afdeling van de Manisch-Depressieve Vereniging en dan
wil ik er over praten of we binnen de vereniging niet een werkgroep
kunnen starten die er voor gaat zorgen dat manisch-depressieven eerder,
tegen hun eigen vrije wil in opgenomen kunnen worden. Nu is het nog zo,
dat pas als een manisch iemand duidelijk een gevaar voor zichzelf en/of
zijn omgeving is, er ingegrepen kan worden en iemand tegen zijn zin
opgenomen kan worden. dan hebben de rampen al
plaatsgevonden. Vroeger ingrijpen, desnoods met
behulp van de politie, zou veel leed kunnen voorkomen. Mijn ziektebeeld
is en blijft hopeloos, mede doordat ik zo slecht op het medicijn:
Lithium, reageer. Ik houd mijn hart vast voor de
toekomst. Ik mag nog een tijdje op "Licht en Kracht" blijven en achter
mijn bereautje voel ik me goed, maar ik voel me alsof ik alles verloren
heb, alsof er geen enkele toekomst is, alsof ik nog jarenlang als een
ongeleide projectiel door de maatschappij zal schieten, nooit wetende
waar ik terecht zal komen, maar wel wetende, dat het gehalte van de
kringen waarin ik verkeer aldoor minder en minder en vozer en vozer zal
worden.
ANGST ESSSEN
SEELEN
18 augustus 1993
Waarom lijd ik aan
krankzinnigheid? Waarom word ik als ik in een
dorp ga wonen de dorpsgek? Stil allemaal maar, iedereen die
het antwoord weet. Er is geen antwoord. Ik ben
ziek, ik moet in een gekkengesticht leven. Ik heb mijn vrienden
verloren. Ik was eens een begaafde filmregiseuse. Ik ben nu nog minder
dan niks. ik ga nog minder worden.
Ik moet nog zo'n dertig jaar mijn krankzinnigheid verdragen.
Ik voel me ellendig en ik vind dat ik daar recht op heb.
Ik ben chagrijnig en ik vind dat ik daar recht op heb.
Ik ben snel geirriteerd en ik vind dat belangrijk is.
Ik ben bang voor "beschermde woonvormen" en ik erger me aan
zwakbegaafde mensen.
Ik moet ze de hele dag om me heen verdragen, ik moet ze beschouwen als
goede vrienden, voor mij zijn het geen werkobjecten waar nog aan te
spijkeren valt.
Ik werk hier niet. En er valt weinig bij te spijkeren aan
zwakbegaafden. Ze zijn gelukkig als ze mee mogen doen, als ze "erbij"
mogen horen. Ik kan ze maar heel weinig aandacht geven, ze irriteren me
met hun eeuwig hetzelfde geklets. Ik ben geen heilige, ik heb geen zin
om voortdurend mijn best te doen om het anderen naar de zin te maken Ik ben hier omdat ik zelf grote
problemen heb, problemen waar ik geen oplossing voor weet. Ik ben of
mezelf, of periodiek krankzinnig of periodiek zwaar depressief.
Uitersten die veel onmogelijk maken, die veel woonmogelijkheden
onmogelijk maken. Ik zit nu in een gekkengesticht en ik weet niet waar
ik hierna naartoe moet. Ik weet dat de toekomst weinig goeds in
petto heeft. Ik ben bang. Ik heb geen rechten meer. Ik ben ziek en ik
heb alles te verdragen wat via de ziekte tot mij komt. Mijn leven is me afgenomen, een
toekomst heb ik niet. Ik heb niet het recht om me te
irriteren aan mijn omgeving, mijn mede-patienten of wat er tot mij
komt. Boos worden durf ik niet, ik zou er veel mee verspelen, ik moet
vriendelijk zijn en alles accepteren.
KOPPIG
WORDEN
september 1993
Ik wil niet accepteren dat het
leven me niets meer te bieden heeft. Ik ben wakker, mijn hersenen
functioneren goed. Ik ben in staat om te genieten,
zelfs alleen, zonder mensen die bij me passen om me heen, weet ik me
uitstekend te vermaken door het lezen van opinie-weekbladen. Ik ben nu van plan om mijn
culturele creatieve kanten te laten bottelen. Ik heb ontdekt dat dat de
beste methode is om mijn identiteit te hervinden. Die zal ik dan
waarschijnlijk wel weer verliezen als ik depressief word, maar wat er
eenmaal in zit, gaat nooit helemaal verloren en kan altijd weer
aangroeien. Ik wil een producerend kunstenaar worden. Tot nu toe ben ik
voornamelijk een ondersteunend kunstenaar geweest. Ik zal mezelf alleen moeten zien
te ontwikkelen. Ik denk dat als ik producerend
kunstenaar ben, de kans dat ik ondanks mijn ziekte maatschappelijk
acceptabel zal blijven, oneindig veel groter is, dan wanneer ik,
langzaam verwelkend, me ergens rustig probeer te houden. Als ik tachtig jaar word, heb ik
nog drie-en-veertig jaren te gaan. Het zou mooi zijn, als ik me
voordat het dreigende zwerversbestaan zich aandient, zou weten op te
werken tot een soort "cultuurgek" die gespaard moet blijven, zoals de
broer van Etty Hillesum als "cultuurjood" gespaard had kunnen blijven
in de tweede wereldoorlog. Dus wat ga ik nu doen? Ik ga me koppig vastbijten in
mijn eigen creativiteit.